In maart 2021 lag het containerschip Ever Given zes dagen dwars in het Suezkanaal. Honderden schepen stonden stil, fabrieken in Europa wachtten op onderdelen en de prijs van een container uit China steeg naar ongekende hoogte. Voor veel inkopers was dat het moment waarop ‘goedkoop uit Azië’ er ineens heel anders uitzag.
Van offshoring naar nearshoring
Twintig jaar lang was de richting duidelijk: productie ging naar landen waar de lonen laag waren. Corona, de containercrisis en de oorlog in Oekraïne lieten zien hoe kwetsbaar lange ketens zijn. Veel bedrijven zoeken sindsdien leveranciers dichterbij, in Oost-Europa, Duitsland of gewoon in Nederland. Wie een beeld wil krijgen van de Nederlandse productiebedrijven die daarvan profiteren, ziet een gevarieerd veld: van voedingsmiddelenfabrikanten tot toeleveranciers van machines en halfgeleiders.
De productie die terugkomt, lijkt weinig op de fabrieken van de jaren zestig. Ze is vaak sterk geautomatiseerd. Robots lassen, frezen en verpakken, en een kleine groep technici houdt de lijn draaiende. Dat maakt productie in een land met hoge lonen weer rendabel.
Waar Nederland sterk in is
Rond Eindhoven zit de hightech-industrie, met ASML als bekendste naam en honderden toeleveranciers eromheen. In Twente heeft de maakindustrie een lange geschiedenis, van textiel in de vorige eeuw tot metaalbewerking, kunststoffen en hightech-systemen nu. Thales in Hengelo bouwt radarsystemen, en in Almelo, Enschede en Hengelo zitten tientallen maakbedrijven die onderdelen leveren aan klanten in heel Europa.
De voedingsindustrie is de grootste industriële sector van Nederland. Zuivel, vlees, groente, zoetwaren en dranken worden hier verwerkt en naar de rest van de wereld geëxporteerd. Nederland heeft ook een sterke positie in scheepsbouw, chemie en landbouwmachines.
Veel Nederlandse productiebedrijven maken kleine series met veel variatie. Een toeleverancier in de hightech maakt een paar honderd heel precieze onderdelen, en de volgende maand weer een andere versie. Dat vraagt om vakmensen en flexibele machines, en juist dat soort werk is lastig naar de andere kant van de wereld te verplaatsen.
Wat de groei afremt
Het grootste probleem voor veel productiebedrijven is personeel. Er zijn te weinig technici, en de mensen die er zijn, worden door grote bedrijven weggekaapt. Mbo-opleidingen in werktuigbouwkunde, elektrotechniek en mechatronica leveren minder studenten af dan de industrie nodig heeft.
Bedrijven zoeken daar zelf oplossingen voor. Sommige leiden hun eigen mensen op in een bedrijfsschool, andere werven technici in Zuid- en Oost-Europa of werken samen met roc’s aan praktijkopleidingen. Automatisering is voor een deel ook een antwoord op het personeelstekort: een robot die ’s nachts doorlast, vult een dienst die niemand wil draaien.
Het tweede probleem is het stroomnet. In grote delen van Nederland zit het net vol, waardoor bedrijven die willen uitbreiden of elektrificeren soms jaren moeten wachten op een zwaardere aansluiting. Een nieuwe fabriekshal bouwen kan dan sneller dan er stroom naartoe krijgen. Sommige bedrijven leggen zonnepanelen met een batterij op eigen terrein, of maken afspraken met de netbeheerder om buiten de piekuren meer stroom af te nemen.
Bouwen voor de maakindustrie
Voor bouwbedrijven in industriële regio’s levert de groei van de maakindustrie werk op: nieuwe productiehallen, uitbreidingen, verbouwingen van bestaande panden en aanpassingen voor nieuwe machines. Productiebedrijven stellen hoge eisen aan vloeren die zware machines moeten dragen, aan hoogte, aan klimaatbeheersing en soms aan stofvrije ruimtes. Laad- en losruimte en parkeerplekken voor ploegendiensten horen ook in het programma van eisen. Bij het plannen van een nieuwe hal hoort de vraag naar de netaansluiting daarom vooraan te staan, samen met de netbeheerder, voordat het ontwerp vastligt.
Wie wil volgen welke bedrijven uitbreiden, waar nieuwe fabrieken komen en wie er in Nederland eigenlijk nog iets maakt, vindt achtergronden en bedrijfsportretten op Nederlandmaakt.nl.